Is het paleodieet de sleutel tot optimale gezondheid?
De moderne mens consumeert ander eten en drinken dan het voedsel waarop onze soort is geëvolueerd. Ons lichaam is niet op de moderne voeding aangepast, met gezondheidsproblemen als gevolg. Hoe zou een ‘natuurlijke’ voeding eruit moeten zien? Een duik in de biologische antropologie.

In dierentuinen kom je vaak bordjes tegen met de waarschuwing ‘Niet voederen’. Waarom? Het voeren van dieren met menselijk voedsel kan schadelijk zijn voor hun gezondheid. Dat komt omdat dieren evolutionair niet aangepast zijn aan wat onze boeren en fabrieken aan menselijk voedsel produceren. Het dierlijke lichaam weet geen raad met dat voedsel en wordt er ziek van.
Zou het ‘voeren’ van mensen met dit moderne voedsel eenzelfde negatief effect hebben? Worden wij er ook ziek van? Of heeft de mens zich op tijd aangepast aan het moderne voedingspatroon?
Daar gaat dit artikel over. We gaan miljoenen jaren terug in de tijd. Er is veel onderzoek gedaan naar wat onze voorouders (aapachtigen, vroege mensachtigen, latere mensachtigen) en onze eigen soort (homo sapiens) aten. En hoe dat leidde tot fysieke- en gedragsveranderingen. We laten zien dat de voeding waar de mens evolutionair aan aangepast is sterk afwijkt van de vooral plantenetende mensapen zoals de gorilla en chimpansee. Sterker, we laten zien dat we wat betreft bepaalde fysieke kenmerken zoals de zuurgraad van de maag en vorm van de darmen meer lijken op carnivoren zoals wolven.
Na deze vogelvlucht over miljoenen jaren menselijke evolutie kijken we naar veranderingen in ons voedingspatroon na de agrarische revolutie (11.700 jaar geleden) en de industriële revolutie (een paar honderd jaar geleden). We verkennen wat de effecten zijn op de menselijke gezondheid van deze evolutionair gezien zeer recente ontwikkelingen van onze voeding. En we laten zien wat het effect is op onze lengte (kleiner), grootte van onze tanden en kaken (kleiner) en de kans op het krijgen van ziektes zoals obesitas, diabetes type 2, hart- en vaatziektes, alzheimer, depressie en kanker (groter).
We sluiten het artikel af met de vertaling van deze kennis door te benoemen wat elementen zijn van een gezond voedingspatroon die passen bij het menselijk lichaam.
Definitie
Paleodieet Het paleodieet dat ook wel paleolithisch dieet of jager-verzamelaardieet wordt genoemd is gebaseerd op de veronderstelde voeding van de menselijke voorouders in het paleolithicum, een periode van 2,5 miljoen jaar tot 10.000 jaar geleden. [bron: Wikipedia]
1. Evolutie, het paleodieet en de gevolgen voor de gezondheid
1.1. Op welk voedsel zijn wij geëvolueerd? En wat eten we nu?
De mens is in de afgelopen miljoenen jaren geëvolueerd als jager-verzamelaar. Onze paleodieet bestond voor een groot deel uit dierlijk voedsel (45-65 procent van onze calorie-inname), aangevuld met plantaardig voedsel (35-55 procent).
In dit artikel gaan we uitgebreid in op de verschillende fases van het voorouderlijk dieet:
Tertiair (66 tot 2,5 miljoen jaar geleden). Onze aapachtige voorouders leefden in bossen en waren vooral planteneters. Net als de huidige mensapen.
Plioceen (laatste gedeelte van Tertiair, 5 tot 2,5 miljoen jaar geleden). De eerste mensachtigen gingen de savannen op, aten planten en toonden mensachtige kenmerken zoals grotere hersenen, tweebenigheid en aanpassingen aan de handen.
Pleistoceen (2,5 miljoen tot 11.700 jaar geleden). Tijdens de ijstijden in het Pleistoceen ontwikkelden de latere mensachtigen en Homo sapiens zich tot jager-verzamelaars die voornamelijk dierlijk voedsel aten.
Zeer recent in deze evolutionaire tijdschaal vonden twee veranderingen in ons voedingspatroon plaats:
Agrarische revolutie. Ongeveer 11.700 jaar vond de agrarische revolutie plaats. Mensen begonnen met het beoefenen van landbouw en het houden van dieren. Ons voedingspatroon veranderde, we gingen tarwe, rijst en maïs eten en melk drinken.
Industrieel geproduceerd voedsel. In de laatste honderd jaar vond een volgende revolutie plaats: we begonnen op industriële wijze voedsel te produceren. Dit ultrabewerkte voedsel bevat ingrediënten die we niet kennen uit de keuken thuis zoals emulgatoren, kleurstoffen en additieven, en vergt industriële processen zoals harden, extrusie en homogenisatie. Daarmee veranderde ons voedingspatroon enorm; maar liefst 61 procent van de dagelijkse energiebehoefte van Nederlanders komt momenteel uit ultrabewerkt voedsel. (Lees meer over ultrabewerkte voeding.)
1.2. Hebben wij ons genetisch aangepast aan modern voedsel?
Niet of nauwelijks. De agrarische revolutie en daarna de industriële revolutie gingen veel sneller dan het aanpassingsvermogen van onze genen. Volkeren die al vroeg met landbouw startten tonen een beperkt aantal fysieke aanpassingen zoals tolerantie voor melk en granen. Het overgrote deel van onze fysieke kenmerken zijn echter nog die van de jager-verzamelaars uit de oertijd. Dat zijn kenmerken zoals bijvoorbeeld een zuurgraad van de maag en vorm van de darmen vergelijkbaar met carnivoren zoals wolven. Geen enkel volk heeft zich al kunnen aanpassen aan het ultrabewerkte voedsel.
Laten we dat aanschouwelijk maken. Als we de afgelopen twee miljoen jaar menselijke evolutie vergelijken met de lengte van een voetbalveld (105 meter), dan ligt het punt waarop de agrarische revolutie start op 61 centimeter voor de doellijn, en de introductie van ultrabewerkt voedsel op een halve centimeter afstand van de doellijn. Oftewel, we zijn bijna twee miljoen jaar geëvolueerd op puur, onbewerkt en voornamelijk dierlijk voedsel, aangevuld met planten. De afgelopen 11.700 jaar verandert daar weinig aan.
1.3. Wat is het effect van het moderne voedingspatroon op onze gezondheid?
We hebben als mensheid enorm geprofiteerd van de twee genoemde revoluties. De bevolking groeide hard, we kregen tijd en ruimte om ons cultureel, technologisch en wetenschappelijk te ontwikkelen. Maar hoe zit het met onze gezondheid?
Infectieziektes. Van de vooruitgang in de medische wetenschap hebben we veel voordeel ondervonden. De sterfte aan infectieziektes daalde spectaculair.
Metabole ziektes. Daarentegen zien we de laatste zestig jaar een enorme toename in metabole ongezondheid. Metabole ongezondheid kenmerkt zich door overgewicht, vetophoping rond de buikstreek en een hoge bloeddruk. Inmiddels heeft de helft van de Nederlanders overgewicht en een op zeven zelfs obesitas (ernstig overgewicht). Metabole ongezondheid leidt tot een sterke groei van diabetes type 2, hart- en vaatziektes, alzheimer, depressie en kanker. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat negentig procent van alle hartfalen en beroertes te wijten zijn aan onze leefstijl, waarbij voeding een belangrijke rol speelt.
In de volgende paragrafen gaan we in op de tijdperken in de evolutie van de mensen en hun voorouders.
2. De aapachtigen in het Tertiair waren planteneters (66 tot 2,5 miljoen jaar geleden)
De mens deelt met de chimpansees een gezamenlijke voorouder die 6 tot 7 miljoen jaar geleden leefde. Deze voorouder was onderdeel van een grote groep verschillende aapachtigen die al tientallen miljoenen jaren leefden.
2.1. De eerste aapachtigen waren herbivoor
Het Tertiair, een geologische periode die zich uitstrekte van het einde van het krijt tot het begin van het pleistoceen, was een tijd van aanzienlijke evolutie en diversificatie van primaten (aapachtigen). In het begin van het Tertiair waren de vroegste primaten kleine dieren die in bomen woonden.
Later in het Tertiair splitsten primaten zich in twee belangrijke takken: de hoger ontwikkelde apen, die evolueerden in de richting van moderne apen en mensapen, en de lagere ontwikkelde apen waaronder lemuren, lori’s en tarsiers.
Veel Tertiaire primaten waren boombewonend, wat waarschijnlijk invloed had op hun dieet. Ze konden gemakkelijk toegang krijgen tot fruit, bladeren en insecten die in de bomen te vinden waren. De eerste aapachtigen waren herbivoor (planteneters).
2.2. Wat eten mensapen nu (in de 21e eeuw)?
Chimpansees, gorilla’s en orang-oetans zijn alle drie mensapen. Dit is wat zij eten (Milton, 2003):
Chimpansees zijn omnivoor. Hun dieet bestaat voornamelijk uit fruit, bladeren en scheuten (87-98 procent van hun energiebehoefte). Een klein deel (2-13 procent) bestaat uit dierlijke bronnen zoals insecten en vlees. Chimpansees vangen af en toe kleine prooien zoals jonge dieren, vogels en kleine zoogdieren. Het eten van vlees blijft vaak beperkt tot de alfa-mannetjes.
Gorilla’s zijn voornamelijk herbivoor. Hun dieet bestaat voornamelijk uit bladeren, stengels, scheuten, vruchten en boomschors (99 procent van de energiebehoefte). Gorilla’s eten zelden vlees of insecten (1 procent).
Orang-oetans zijn voornamelijk herbivoor. Fruit is een belangrijk onderdeel van hun voeding. Bladeren en scheuten maken een kleiner deel uit van het dieet. Af en toe eten orang-oetans insecten zoals termieten en mieren, maar dat is niet erg gebruikelijk.
3. De vroege mensachtigen gingen de savannes op en aten planten (5 tot 2,5 miljoen jaar geleden)
De laatste periode van het Tertiair was het Plioceen. Het Plioceen was een geologisch tijdperk dat zich uitstrekte van ongeveer 5 tot 2,5 miljoen jaar geleden. In deze periode ontstonden de eerste mensachtigen. Deze mensachtigen gingen de savannes op, die in deze periode in het landschap ontstonden. Het voedingspatroon en de fysieke kenmerken van deze eerste mensachtigen begon af te wijken van de aapachtigen.
3.1. Veranderingen in het landschap in en voor het Plioceen
Tijdens het Plioceen onderging de aarde aanzienlijke veranderingen in het klimaat, waarbij dichtbeboste gebieden plaatsmaakten voor meer open en grasrijke gebieden zoals graslanden, savannes en steppegebieden (Behrensmeyer, 2013).
3.2. Ontstaan van de eerste mensachtigen
Het Plioceen was het tijdperk waarin de eerste mensachtigen ontstonden uit een afsplitsing van de aapachtige voorouders. Deze nieuwe tak van de evolutie zou uiteindelijk leiden tot het geslacht Homo, inclusief de moderne mensen (Homo sapiens). Een van de bekendste vroege mensachtigen uit het Plioceen is Australopithecus afarensis. Lucy, een Australopithecus van wie de fossiele resten gevonden werden in Ethiopië, is een beroemd voorbeeld.
3.3. Voeding van de eerste mensachtigen
Tijdens het Plioceen ondergingen mensachtigen een significante verandering in hun dieet. Eerdere mensachtingen hadden een dieet dat vergelijkbaar was met dat van moderne apen, met een nadruk op fruit en bladeren. Rond 3,8 miljoen jaar geleden begonnen mensachtigen echter planten te eten die in de open vlaktes van Afrika voorkwamen. Dat is onder meer gebleken uit onderzoek van fossiele tanden van mensachtigen (Thorp, 2010, Sponheimer 2013). Daarmee begon het dieet van de vroege mensachtigen af te wijken van dat van apen die in bomen leefden.
3.4. Fysieke en gedragsmatige aanpassingen van de eerste mensachtigen
Om zich aan te passen aan de veranderende omgeving ontwikkelden mensachtigen verschillende fysieke en gedragsmatige kenmerken. Rond 3,5 miljoen jaar geleden waren hun hersenen flink in omvang gegroeid. De grootte van de hoektanden was al aanzienlijk verminderd. De proporties van de handen begonnen meer mensachtig dan aapachtig te worden, wat duidt op een evolutie naar handiger gereedschapsgebruik (Kimbel, 2016).
Dat alles wijst erop dat vroege mensachtigen tijdens het Plioceen begonnen te evolueren naar veelzijdige omnivoren die in staat waren om een breed scala aan voedingsbronnen in verschillende leefomgevingen te benutten. Deze aanpassingen vormden de basis voor de verdere ontwikkelingen in de evolutie van de mensachtigen, en uiteindelijk de opkomst van het geslacht Homo.
4. Latere mensachtigen en Homo sapiens werden jager-verzamelaars (2,5 miljoen tot 11.700 jaar geleden)
Tijdens het Pleistoceen veranderde het klimaat op aarde drastisch, wat tot verdere specialisatie van de mensen en hun voorouders met omnivore en deels carnivore kenmerken leidde.
4.1. De ijstijden
Het Pleistoceen, vaak aangeduid als ‘de IJstijd’, was een geologische tijdperk dat duurde van ongeveer 2,5 miljoen jaar tot 11.700 jaar geleden. In deze periode was er een reeks van 11 grote ijstijden. Tijdens deze ijstijden bedekten continentale gletsjers tot dertig procent van het aardoppervlak, met een permafrostzone die zich nog verder uitstrekte. De koude temperaturen en het uitgestrekte ijs beïnvloedden de verspreiding van planten en dieren, wat leidde tot een verandering in de beschikbare voedselbronnen voor de mensen en hun voorouders.
Dat had een vergaande invloed op de menselijke evolutie, zowel wat betreft fysieke eigenschappen als gedrag. Fysieke aanpassingen waren onder meer een groter brein, kleinere kaken en veranderingen in de darmen. Gedragsmatige aanpassingen waren het jagen op groot wild, met daarvoor de ontwikkeling van complexere werktuigen, jachttechnieken en sociale structuren.
4.2. Het ontstaan van de mens
In het Pleistoceen ontstond het geslacht Homo, waar Homo Sapiens onderdeel van uitmaakt. In deze periode hebben veel verschillende soorten Homo bestaan, maar slechts een paar daarvan zijn voor dit artikel relevant, omdat zij onze directe voorouders waren. Het gaat om Homo habilis (ongeveer 2,3 tot 1,6 miljoen jaar geleden), Homo erectus (ongeveer 1,9 miljoen tot 143.000 jaar geleden en Homo heidelbergensis (ongeveer 600.000 tot 200.000 jaar geleden). Deze laatste soort wordt vaak beschouwd als een directe voorouder van Homo sapiens. Homo heidelbergensis had een groter brein en een meer geavanceerde cultuur en werktuiggebruik. Uiteindelijk verscheen circa 300.000 jaar geleden in Afrika ons eigen soort: Homo sapiens. Homo sapiens migreerde ongeveer 70.000 tot 100.000 jaar geleden uit Afrika en verspreidde zich over de wereld.
4.3. Het dieet van mensen en hun voorouders in het Pleistoceen
De mens is een omnivoor, wat betekent dat we energie en voedingsstoffen kunnen halen uit zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Maar dat we dat kunnen, betekent nog niet beide voedingsbronnen ons voorkeursdieet zijn. Wolven kunnen in de zomer bessen eten maar zijn beter geëquipeerd om te jagen. Hoe zit het met de mensen en hun voorouders?
In het Pleistoceen begonnen de mensachtigen in toenemende mate dierlijk voedsel te consumeren, beginnend bij de vroege Homo-soorten en piekend bij Homo erectus. Homo erectus was qua bouw en gedrag aangepast aan een carnivoor dieet, was een jager en specialiseerde zich in grote prooien. Dat betekent dat Homo erectus voornamelijk vlees at: ongeveer 70 procent van zijn dieet bestond uit dierlijke producten. Onze eigen soort, Homo sapiens, deelt deze voorkeur met Homo erectus.
Pas laat in het Pleistoceen (circa 45.000 tot 70.000 jaar geleden) begon het dieet van de mens te veranderen. Technologische ontwikkelingen zoals gereedschappen en conservering maakten een grotere consumptie van planten mogelijk. Deze grotere focus op plantaardig voedsel was mogelijk het gevolg van een afname in beschikbare grote prooidieren (zoals mammoeten). De verandering in het dieet was echter niet groot genoeg en duurde onvoldoende lang om een aantal carnivore biologische kenmerken van Homo sapiens substantieel te veranderen (zie tabel hieronder).
Uit welke biologische en gedragskenmerken van de vroege mens blijkt dat ze zo gericht waren op dierlijk voedsel? In een overzichtsartikel van onderzoeker Ben Dor staan 25 verschillende bronnen van bewijs voor het aandeel van dierlijk voedsel in het paleodieet (Ben Dor, 2021). We laten in de onderstaande tabel zes daarvan zien.
Biologisch/ gedrags- kenmerk | Uitleg |
Grote hersenen | Bij primaten wordt een groot brein geassocieerd met de consumptie van voedingsrijke voedingsmiddelen. Mensen die de grootste hersenen van de primaten hebben richtten zich op voedsel met de hoogste energie- en voedingsdichtheid, specifiek op dierlijke vetten en eiwitten. |
Zuurgraad van de maag | Een hogere maagzuurgraad wordt gevonden bij carnivoren. Een hogere maagzuurgraad inactiveert ziekteverwekkers uit vlees. De maagzuurgraad bij mensen is zelfs hoger dan bij veel carnivoren, waarschijnlijk vanwege de ziekteverwekkers die te maken hadden met het consumeren van karkassen van grote prooien gedurende dagen en weken. |
Vorm van de darmen | De vorm en relatieve grootte van de darmen van de mens zijn fundamenteel verschillend van die van chimpansees. Langere dunne darmen en kortere dikke darmen, zoals gevonden bij mensen, zijn typisch voor de darmen van carnivoren. |
Stabiele isotopen | Metingen van stikstofisotopen in collageenresiduen van menselijke fossielen zijn de meest gebruikte methode om te bepalen wat mensen de afgelopen 50.000 jaar aten. Studies tonen aan dat mensen tot zeer laat in het Pleistoceen overwegend dierlijk voedsel aten, eindigend net voor het verschijnen van de moderne landbouw. |
Tandbederf | Tandbederf, bewijs van de substantiële consumptie van koolhydraten, verscheen pas ongeveer 15.000 jaar geleden bij groepen waar bewijs van plantaardige voedselconsumptie is gevonden. |
Stenen gereedschappen | Stenen gereedschap specifiek voor het gebruik van plantaardig voedsel verscheen pas ongeveer 40.000 jaar geleden. |
Naast deze bronnen voor de aard van het paleodieet noemt onderzoeker Dor een reeks andere bewijzen zoals aan het gooien van speren aangepaste schouders, fossiele resten van prooidieren op plekken waar mensen leefden en gedragsaanpassingen die typisch zijn voor carnivoren, zoals het delen van eten.
4.4. Fysieke en gedragsaanpassingen aan dit paleodieet
De verandering in de dieetfocus bij vroege mensen met een toenemend aandeel van dierlijke voedingsstoffen is een duidelijke afwijking is van wat eerdere mensachtigen aten: vooral plantaardig voedsel.
Hoe hing deze verandering samen met fysieke- en gedragskenmerken van de mens?
Fysieke kenmerken. De grootte van de menselijke hersenen nam substantieel toe, de vorm van de menselijke darmen veranderde (een verschuiving in darmverhoudingen en lengte van de darmen) en het gebit werd kleiner (zowel wat betreft tanden en kaken als kauwspieren).
Gedragskenmerken. Bewijs uit fossiele en archeologische opgravingen laat een proces zien van een toenemende afhankelijkheid van technologie en aangeleerde vaardigheden (zoals de fabricage en het gebruik van stenen werktuigen en jachtwerktuigen, en technieken voor voedselbereiding). Daarnaast de toename van sociale vaardigheden zoals coöperatieve jacht, arbeidsverdeling en het onderling delen van voedsel.
Daarnaast lijkt er een ontwikkeling te zijn geweest in hoe mensachtigen aan dierlijke voedingsstoffen kwamen:
Het eten van aas (circa 2,5 miljoen jaar geleden). In deze tijd waren de mensachtigen nog niet zelf in staat grote prooidieren te doden. Daarvoor waren zij afhankelijk van grote roofdieren. De roofdieren konden echter niet het binnenste van de botten van hun prooi bereiken. Dat binnenste (beenmerg en hersenen) bevat voedingsstoffen die rijk zijn aan vet. De mensachtigen wachtten tot de roofdieren hun prooi verlieten en gebruikten daarna stenen om de botten open te breken. Soortgelijk gedrag (voor het openbreken van noten) wordt ook nu nog bij primaten gezien. De eerste stenen werktuigen zijn gevonden met de gefossiliseerde overblijfselen van Homo habilis, een van de vroegste Homo-soorten.
Jagen (vanaf 2 miljoen jaar geleden). Bewijs van het systematisch slachten van prooidieren door mensachtingen wordt pas gevonden na ongeveer 2 miljoen jaar geleden. Op locaties zoals Kanjera South in Oost-Afrika vonden onderzoekers snijsporen op de botten van fossiele prooidieren en scherpe stenen die mensachtigen daarvoor gebruikten (Ferraro, 2013).
5. Na de agrarische revolutie gingen mensen meer koolhydraten eten (11.700 jaar geleden)
De laatste ijstijd eindigde 11.700 jaar geleden. Dat punt markeert ook de opkomst van de agrarische samenlevingen. Het leidde tot een drastische verandering in het menselijk dieet. Alhoewel 11.700 jaar lang lijkt, zijn de fysieke kenmerken van de mens in deze periode maar zeer beperkt veranderd.
5.1. De agrarische revolutie
De agrarische revolutie was een fundamentele transformatie in de menselijke geschiedenis die plaatsvond tussen 10.000 en 2.000 jaar voor Christus (verschillende regio’s startten op andere momenten). De periode kenmerkte zich door de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw, waarbij mensen begonnen met het systematisch verbouwen van gewassen en het houden van dieren. Deze verschuiving leidde tot de vestiging van permanente nederzettingen en resulteerde in significante sociale en economische veranderingen.
5.2. Verandering van het menselijk dieet
Het dieet verschoof van een hoog gehalte aan eiwitten en vetten, voornamelijk afkomstig van wild vlees en vis, naar een dieet dat rijker was aan koolhydraten. Dat kwam vooral door de toegenomen consumptie van planten zoals tarwe, gerst, rijst en maïs.
5.3. Effect op de menselijke gezondheid
Deze drastische verandering in dieet en leefstijl had een sterk effect op de algehele gezondheid van de mens. Een aantal voorbeelden uit onderzoek (Larsen, 2006):
Afnemende lengte. Mensen in Europa en het Midden-Oosten werden beduidend korter (circa 10 tot 15 centimeter) nadat zij een agrarische leefstijl adopteerden. Dit wordt toegeschreven aan minder beweging, meer infectieziektes door een verhoogde bevolkingsdichtheid, en tekorten in voeding en nutriënten.
Meer tandbederf. Tandbederf zoals cariës was relatief zeldzaam bij jagers-verzamelaars. Een van de meest ingrijpende veranderingen bij agrarische samenlevingen was de toename van tandbederf. Het wordt veroorzaakt door de zuren die worden geproduceerd als bijproduct van het eten van koolhydraten, met name van suikers.
Kleinere kaken. Door de agrarische revolutie werden de voedingsmiddelen zachter en makkelijker te kauwen. Na verloop van tijd resulteerde dat in kleinere kaken en tanden. Omdat de menselijke tanden niet even snel kleiner werden als de kaken, hebben we nu scheefstaande of overlappende tanden.
5.4. Beperkte genetische aanpassingen ná het paleodieet
De mens is genetisch weinig veranderd sinds het Pleistoceen. Er zijn echter voorbeelden van beperkte genetische aanpassingen in volkeren die al meer dan 10.000 jaar landbouw toepassen:
Lactasepersistentie. In Noord-Europa heeft 70 tot 80 procent van de bevolking genetische aanpassingen (lactasepersistentie) om melk te verteren na de zuigelingentijd. Deze aanpassing komt nauwelijks voor bij inheemse bevolkingen in Amerika en Australië.
Amylaseproductie. Amylaseproductie is een genetische aanpassing om zetmeelrijke producten zoals brood te verteren. Ze is wijdverbreid in de Europese bevolking. De aanpassing komt nauwelijks voor bij inheemse bevolkingen in Amerika en Australië, met als gevolg dat toen het dieet van deze volkeren verwesterde het aantal mensen met diabetes type 2 en hart- en vaatziektes enorm groeide.
6. De industriële revolutie leidde tot een dieet met ultrabewerkt voedsel (afgelopen 100 jaar)
De industriële revolutie begon in Engeland rond 1750. In het midden van de negentiende eeuw ontstonden er voedselfabrieken. Deze ontwikkeling ging snel door en circa honderd jaar geleden begon de ontwikkeling van industrieel geproduceerd, ultrabewerkt voedsel. Ultrabewerkte voedsel maakt nu het grootste deel van ons dieet uit en zorgt voor grote gezondsheidsproblemen.
6.1. Industrieel geproduceerd ultrabewerkt voedsel
Met de industriële revolutie kwam ook het industrieel produceren van voedsel op. In de negentiende eeuw ontstonden bietsuiker-, brood-, zuivelfabrieken. De focus lag vooral op het conserveren van voedsel, bijvoorbeeld in blik of flessen. In de twintigste eeuw begon de voedselindustrie met het ontwikkelen van voedsel dat we nu ultrabewerkt noemen. Ultrabewerkt voedsel is eten en drinken dat industrieel is gemaakt en vol zit met onnatuurlijke toevoegingen zoals emulgatoren en kleur- en smaakstoffen. Denk aan frisdrank, chips, koekjes, zaadoliën, snoep, instant soepen, sauzen, mayonaise, energiedrankjes, ijs, cake en pizza.
Volgens een recente studie is de consumptie van ultrabewerkt voedsel in Nederland omvangrijk in vergelijking met andere Europese landen. Meer dan 70 procent van alle voedselproducten in de Nederlandse supermarkt zijn ultrabewerkt. Dat leidt ertoe dat 61 procent van onze energie-inname uit ultrabewerkt eten en drinken komt (Vellinga, 2022).
6.2. We zijn genetisch niet voorbereid op ultrabewerkt voedsel
Het mag voor zichzelf spreken dat geen enkelvolk in de laatste honderd jaar genetische resistentie tegen industrieel geproduceerd voedsel kan hebben opgebouwd. Daarvoor is deze verandering in ons voedselpatroon te recent. Denk aan het voetbalveld waarbij de intrede van ultrabewerkt voedsel een halve centimeter voor de doellijn ligt.
6.3. Effect van ultrabewerkt voedsel op onze gezondheid
Het eten van ultrabewerkt voedsel heeft sterk negatief effecten op onze gezondheid. Een Franse studie waarbij 170.000 mensen 10 jaar lang werden gevolgd liet sterke verbanden zien tussen de consumptie van ultrabewerkt voedsel en verhoogde risico’s op obesitas, kanker, hart- en vaatziektes, diabetes type 2, depressieve symptomen, alzheimer en maag- en darmstoornissen. De deelnemers die de meeste ultrabewerkte voedingsmiddelen aten en dronken hadden een 62 procent hoger risico op sterfte vergeleken met degenen die het minste ervan consumeerden ().
6.4. Hoe herken je ultrabewerkt voedsel
Het herkennen van ultrabewerkte voeding is eigenlijk best makkelijk:
Het is verpakt
Het komt van een bekend merk
Het bevat onbekende ingrediënten
Het is lang houdbaar.
Wat zijn voorbeelden van voedingsmiddelen en dranken die ultrabewerkt zijn? We kunnen ons allemaal voorstellen dat frisdranken, chips, koekjes en snoep ultrabewerkt zijn. Maar er zijn ook producten waar je niet direct van verwacht dat ze het zijn:
Supermarktbrood, zelfs als het volkorenbrood is
Ontbijtgranen zoals muesli en cruesli
Vegetarische vleesvervangers, met uitzondering van tofu en tempeh
Melkvervangers zoals sojamelk en amandelmelk
Zaadoliën zoals zonnebloemolie en koolzaadolie.
7. Conclusie met implicaties van het paleodieet voor onze gezondheid
Wat kunnen we leren van het paleodieet over wat gezond voedsel is voor ons, moderne mens? Allereerst dit: de mens is geen aap. We mogen gezamenlijke voorouders hebben, maar waar mensapen voornamelijk planteneters zijn, zijn wij als mensen geëvolueerd als jagers op vlees en vis. Met een dieet dat we aanvullen met plantaardig voedsel.
Het paleodieet waar we op zijn geëvolueerd bestond voor 45-65 procent van de energie-inname uit dierlijk voedsel en voor 35-55 procent uit planten. Het dieet van moderne jager-verzamelaarvolken (voordat zij verwesterden) laat dezelfde verhoudingen zien. Geen enkel van deze volken at vrijwel alleen maar planten terwijl 20 procent vooral vlees en vis at.
Pas heel recent is het menselijk voedingspatroon veranderd. De laatste 11.700 jaar gingen we voedsel verbouwen en dieren houden. Evolutionair is dat zo recent, dat de mens zich slechts beperkt fysiek aan dit nieuwe dieet heeft aangepast. Binnen volken die al lang landbouw bedrijven (10.000 jaar) kunnen veel mensen melk en graan verteren. Maar het overgrote deel van de genetische kenmerken van de mens zijn die van een omnivoor, met een aantal sterk carnivore kenmerken. Denk daarbij aan de lengte en vorm van onze darmen (vergelijkbaar met wolven) en de zuurgraad van onze maag (even zuur als de maag van wolven).
Het verschil tussen de menselijke fysiek gebaseerd op een paleodieet van puur, onbewerkt en vooral dierlijk voedsel en het moderne voedingspatroon leidt tot gezondheidsproblemen. Dat werd al zichtbaar na de agrarische revolutie. Tandbederf deed zijn intrede, mensen werden minder lang, kaken en tanden werden kleiner. Toen industrieel geproduceerd ultrabewerkt voedsel honderd jaar geleden zijn intrede deed, nam het negatieve effect van een veranderend dieet op onze gezondheid sterk toe. Het gevolg was een explosie van aandoeningen zoals obesitas, diabetes type 2, hart- en vaatziektes, depressieve klachten, alzheimer en kanker.
Zoals een onderzoeker het beschreef “De mens is de enige diersoort die slim genoeg is om zijn eigen voedsel te produceren. En dom genoeg om het op te eten.” Willen we onze gezondheid versterken, dan vergt dat dat we teruggaan naar het dieet waar we evolutionair aan aangepast zijn: onbewerkt, puur voedsel van zowel dierlijke als plantaardige oorsprong.
Veel gestelde vragen (F.A.Q.)
Verder kijken/lezen
Paleolithic Nutrition: What Did Our Ancestors Eat? Video-college van Jenny Brand-Miller.
Human Health and the Neolithic Revolution: an Overview of Impacts of the Agricultural Transition on Oral Health, Epidemiology, and the Human Body Artikel van Katherine J. Latham.
A multidisciplinary reconstruction of Palaeolithic nutrition Artikel van Kuipers, Joordens en Muskiet.
Samenvatting Het westerse voedingspatroon wijkt sterk af van het paleodieet waarop de mens is geëvolueerd. De mens is in de laatste 12.000 jaar sterk anders gaan eten vergeleken met het voedsel waarnaar onze soort zich de afgelopen miljoenen jaren evolutionair heeft gericht. Onze genen hebben echter onvoldoende tijd gehad zich aan deze moderne voeding aan te passen. Dat leidt tot een explosie van welvaartsziektes zoals diabetes type 2, hart- en vaatziektes, depressie, alzheimer en kanker. Wat kunnen we leren van de evolutie over wat gezond voedsel is voor ons, moderne mens? Het paleodieet is een voedingspatroon waarmee we op de evolutie inspelen.
Wat eten moderne jager-verzamelaars? Er bestaan nu nog steeds jager-verzamelaarpopulaties. Voorbeelden zijn de aboriginals in Australië, de Inuit in de arctische regio en de Afrikaanse Masai. Het traditionele dieet van deze volkeren kan informatie bieden over het dieet dat onze vroege voorouders aten. De pure, on-verwesterde vorm van de levenswijze van deze jager-verzamelaarvolken bestaat niet meer. Toch konden onderzoekers het traditionele dieet van deze populaties reconstrueren. De onderzoekers analyseerden de historische diëten van 229 jager-verzamelaarsamenlevingen. Zij concludeerden dat 45-55 procent van hun energiebehoefte uit dierlijke voedingsstoffen kwam en 35-55 procent uit plantaardige bronnen. Geen enkele jager-verzamelaarpopulatie bleek vooral (86-100 procent) plantaardige voedingsmiddelen te eten, terwijl 20 procent – 46 populaties – vooral (86-100 procent) dierlijk voedsel at (Cordain, 2000). Overigens komt niet al het dierlijk voedsel uit de jacht. Het verzamelen speelt de belangrijkste rol in de voedselvoorziening van de vroege mens. Jagen liet de meest prominente sporen in het archeologische archief achter, maar het verzamelen van groentes en van dierlijke, met name aquatische, bronnen is veel eenvoudiger dan jagen op de hete en dorre savanne (Kuipers, 2012). Vanuit deze gegevens schatten de onderzoekers ook de verdeling van het voedingspatroon van de jager-verzamelaars over de drie macronutriënten vet, eiwit en koolhydraten, met hun gemiddelde bijdrage aan de energiebehoefte: – Vet gemiddeld 43% (28-58%) – Koolhydraten gemiddeld 27% (19-35%) – Eiwitten gemiddels 31% (22-40%). De onderzoekers zagen bovendien dat als jager-verzamelaars in een omgeving leefden waar zowel dieren als planten in ruimte mate voorkwamen, zij vooral kozen voor dierlijke bronnen (45-65 procent van de energie-inname) (Kuipers 2012). De reden is wat de onderzoekers de ‘optimale foerageer-strategie’ noemen. De strategie houdt in dat dierlijke voeding de beste verhouding oplevert van: – de energie die de jager-verzamelaars uit een voedselbron halen – de energie die zij moeten besteden om dat voedsel te verzamelen.
Lees hier het overzichtsartikel van Jaap Versfelt over ultrabewerkt voedsel.
Nieuwsbrief
Ontvang tips, nieuwe artikelen en inspiratie voor een gezondere leefstijl.
Gerelateerde artikelen
ArtikelUltrabewerkt voedsel: meer dan de helft van ons dieet en dodelijk
De bewijzen stapelen zich op: ultrabewerkt voedsel brengt veel gezondheidsrisico's met zich mee. Maar waar zitten die risico's precies in? En hoe herken je ultrabewerkt voedsel? In een overzichtsartikel zet Jaap Versfelt het op een rij.
